Blog · Augustus 2026
Deze zomervakantie dacht ik: weet je wat, deze meid doet gewoon eens even wat minder. Niet weg, niet alles volplempen, niet van elke vrije dag weer een heel fucking project maken. Gewoon thuis. Beetje rust. Namasté, holadiejee!
Nou dat zen zijn, dat duurde dus ongeveer drie dagen...
Want blijkbaar is rust nemen nog iets anders dan op tijd je grens voelen. En laat ik nou precies in dat laatste ook geen natuurtalent zijn.
.

Door: Michaela Kamphuis
Leestijd: ongeveer 12 minuten
Er zijn van die dingen waarvan ik jarenlang dacht dat ik ze gewoon niet goed kon. Rust nemen bijvoorbeeld.
Andere mensen lijken daar soms een aangeboren talent voor te hebben. Die zeggen: “Ik heb vandaag helemaal niks gedaan” en klinken daar ook nog tevreden bij.
Ik hoor mezelf dat niet snel zeggen. Bij mij wordt zelfs ontspannen al snel een project an sich.
Op dag drie van mijn zomervakantie had ik al een hele slaapkamer verbouwd, mijn boeken op kleur gesorteerd, drie nieuwe ideeën bedacht en mezelf ervan overtuigd dat ik “echt een heel rustig dagje” had gehad. Dat zegt waarschijnlijk alles wat je moet weten over mijn talent voor ontspannen.
Mijn vriend kan rustig een hele dag op de bank liggen vegeteren. Serie aan, kop koffie en een scheet, hij heeft nergens last van.
Ik krijg na twee afleveringen Netflix ongeveer dezelfde verschijnselen als iemand die acuut moet afkicken. Friemelen aan mijn vingers en mijn haar. Anders zitten. Telefoon pakken. Weer neerleggen. Ineens bedenken dat ik mijn onderbroekenla moet uitruimen. En voor ik het weet sta ik halverwege een aflevering óók de rommella in de keuken schoon te maken, waar ik al een heel jaar geen ene reet om gaf. Maar tijdens Netflix? Dan is het ineens een nationale noodsituatie.
Ontspannen heet dat blijkbaar.
Dus toen mensen deze zomer vroegen: “Heerlijk hè, zomervakantie. Ga je nog weg?” was mijn antwoord: “Nee.”
En daar had ik heel bewust voor gekozen.
Geen koffers. Geen vliegveld. Geen bomvolle planning omdat je in zeven dagen natuurlijk wél alles uit je vakantie moet halen.
Gewoon thuis.
En eerlijk? Dat voelde eerst bijna alsof ik me moest verantwoorden.
Want zomervakantie lijkt soms pas echt zomervakantie als je ergens anders bent. Liefst met zon, zwembad, terras en een licht verbrande neus als bewijs dat je het goed hebt aangepakt.
Maar ik had dit jaar geen behoefte aan meer. Ik had behoefte aan minder, juist na mijn hele ervaring in Drachten
Minder moeten. Minder plannen. Minder het gevoel dat iedere vrije dag ook nog “benut” moet worden. Alleen kwam ik er vrij snel achter dat minder plannen niet automatisch betekent dat je ook ineens beter naar jezelf luistert.
Ik dacht lang dat rust betekende dat je stil moest zitten.
Bank. Boek. Netflix. Niks doen. Maar misschien ziet rust er voor iedereen anders uit.
Ik kom bijvoorbeeld vaak beter tot rust tijdens een wandeling of hardlopen. Met muziek aan en verstand op nul. Ook kan ik tot rust komen wanneer ik een beetje rommel en loop te freubelen in huis. Ik kan heel blij worden van een geurkaars twintig keer verplaatsen ook al is dat maar een paar centimeter. Ik kom tot rust wanneer ik schrijf of wanneer ik ergens mee bezig ben waar helemaal geen deadline, prestatie of verwachting aan vastzit.
Rust hoeft voor mij blijkbaar niet per se stilstand te zijn. En misschien hoef ik daar ook helemaal niet van gemaakt te worden.
Ik hoef niet ineens iemand te worden die iedere ochtend een uur mediteert, langzaam haar chia, tarwegras met soja melk en havermout eet en vervolgens tevreden naar een kamerplant kijkt. Ik huil al bij deze gedachte. Dat gaat hem dus niet worden.
Maar er zit natuurlijk wel een verschil tussen graag bezig zijn en jezelf voortdurend voorbijlopen.
En precies daar gaat het bij mij nog weleens mis.
Rust hoeft voor mij niet per se stilstand te zijn.
De Denen hebben daar eigenlijk een mooie uitdrukking voor:
at have mange jern i ilden.
Veel ijzers in het vuur hebben.
Nou. Geef mij dan maar een complete smederij. Ik vind veel dingen leuk. Ik krijg ideeën. Ik zie mogelijkheden. Voor ik het weet ben ik met drie projecten bezig, heb ik alweer twee nieuwe plannen bedacht en ben ik enthousiast “ja” aan het zeggen tegen iets waarvan ik vijf minuten eerder nog niet wist dat het bestond.

Ik loop graag in zeven sloten tegelijk. Dat zit in me. En eerlijk gezegd vind ik dat ook een heel leuk deel van mezelf.
Ik wil mijn enthousiasme helemaal niet kwijtraken. Ik wil niet minder nieuwsgierig worden of stoppen met dingen ondernemen omdat ik bang ben dat het misschien te veel wordt.
Alleen ken ik inmiddels ook de andere kant.
ls ik maar lang genoeg in die zeven sloten blijf springen, ga ik uiteindelijk een keer keihard op mijn bek.
Dat patroon ken ik ondertussen behoorlijk goed.
Te veel willen.
Te lang doorgaan.
Nog nét even dit.
Nog één afspraak.
Nog één project.
Nog even iets afmaken
Nog alleen maar dit idee uitwerken
Tot mijn lijf uiteindelijk besluit: Mooi geweest, tutta.
En de stekker eruit trekt.
Na mijn ziek zijn werd dat alleen maar duidelijker. Er is namelijk nog steeds een versie van mij in mijn hoofd van vóór alles gebeurde.
Die denkt dat energie oneindig is. Die haar agenda vol plant en daarna wel bedenkt hoe ze alles voor elkaar krijgt.
Die denkt: Als ik dit vroeger kon, moet dat nu toch ook kunnen?
Alleen heeft mijn lichaam inmiddels andere spelregels. En dat vind ik nog steeds niet altijd makkelijk. Zeg maar gewoon zwaar kut…
Want herstel klinkt zo lekker overzichtelijk.
Je wordt ziek.
Je krijgt behandelingen.
Je herstelt.
Je leven gaat gelukkig weer verder.
Maar “weer verder” is niet automatisch hetzelfde als “weer zoals vroeger”.
Genezen betekent niet dat alles daarna ineens verdwenen is. Mijn lichaam draagt nog steeds mee wat het heeft doorgemaakt.
Dankbaarheid en verdriet blijken bovendien prima naast elkaar te kunnen bestaan. Blij zijn dat je er nog bent, en tegelijkertijd balen van wat er veranderd is.
Ook energie voelt anders. Er is weer ruimte voor plannen, werk en leuke dingen, maar die tank blijkt niet ineens bodemloos.
En misschien is dát nog wel het ingewikkeldste van herstel:jezelf opnieuw leren kennen.
Waar ligt mijn grens nu?
Wat kost mij energie?
Waar krijg ik juist energie van?
Wanneer ben ik gewoon moe omdat ik een drukke dag heb gehad?
En wanneer ben ik alweer bezig mijn reserves compleet leeg te trekken?
Was er maar een handig metertje voor.
Een soort benzinewaarschuwingslampje.
Helaasch… Dat voelen moet ik dus zelf leren.
En laat dat nou precies iets zijn waar ik niet altijd even talentvol in ben.

Ik ben 37. Je zou denken dat ik inmiddels wel weet waar mijn grenzen liggen. In werkelijkheid bestaan mijn dertigersdilemma’s vooral uit: kan dit nog in mijn agenda, waarom ben ik alweer moe en wanneer ben ik in hemelsnaam iemand geworden die blij wordt van een lege avond?
De leeftijd waarop je tegelijk te oud bent om alles op YOLO te gooien en te jong om vrijwillig iedere avond om half tien in bed te liggen. Dertigersdilemma’s, maar dan met energiemanagement.
Balans is geen wiskundesom
Vroeger zag ik balans als een soort perfect evenwicht. Werk en privé netjes verdeeld. Bewegen én rust. Gezelligheid én tijd alleen.
Alles precies genoeg. Een soort menselijke weegschaal die voortdurend keurig in het midden blijft hangen.
Hoe ouder ik word — en hoe meer mijn lichaam mij leert — hoe minder ik daarin geloof. Balans is niet iedere dag 50/50.
De ene dag kan ik enorm veel aan. Een andere dag wil ik overal bij zijn en krijg ik juist energie van een volle agenda. En dan zijn er ook dagen waarop douchen, in je tijger pyjama met je knot op je hoofd een shoarma schotel bestellen ook gewoon genoeg kan zijn.
Het probleem begint vooral wanneer ik op een dag waarop ik 30 procent heb, blijf leven alsof ik 100 procent beschikbaar ben.
Omdat ik vind dat het moet.
Omdat ik niemand wil teleurstellen.
Omdat het vorige week toch ook lukte.
Of simpelweg omdat ik alweer veel te enthousiast “ja” heb gezegd.
Balans hoeft daarom misschien helemaal niet te betekenen dat iedere dag hetzelfde is. Veel belangrijker is de vraag:
Wat heb ik vandaag te geven? En vervolgens mijn keuzes daarop aanpassen. Ook als het antwoord minder is dan ik zou willen.
Dat is voor mij misschien wel de belangrijkste les. Grenzen behandelde ik lange tijd als een soort noodrem. Pas gebruiken wanneer het écht niet meer gaat. Bij complete uitputting. Wanneer mijn lijf protesteert.
Als ik emotioneel leeg ben of wanneer ik simpelweg niet anders meer kan.
Alleen ben je dan eigenlijk al te laat. Een grens mag eerder.
Bij: Dit kost me meer dan ik vandaag wil geven.
Of: Hier heb ik nu geen ruimte voor.
Zelfs: ik zou dit technisch gezien kunnen, maar echt verstandig is het op dit moment niet.
En natuurlijk ook gewoon: Nee. Vandaag gewoon ff niet. Allemaal optieven!
Zonder complete onderbouwing.
Zonder PowerPoint presentatie.
Zonder medisch dossier.
Zonder drie getuigen die bevestigen dat je inderdaad moe genoeg bent.
En dat blijft oefenen, constant. Grenzen aangeven klinkt namelijk fantastisch als je er een mooie quote van maakt.
In werkelijkheid kan het behoorlijk ongemakkelijk voelen.
Alsof je iemand teleurstelt.
Alsof je je aanstelt.
Alsof je eigenlijk best nog even had kunnen doorzetten.
Toch voorkomt iedere grens die ik iets eerder herken hopelijk dat ik mezelf een paar dagen later weer bij elkaar moet rapen.
En dát is óók herstel.
Niet pas luisteren wanneer je lichaam begint te schreeuwen.
Maar proberen het al te horen wanneer het nog gewoon praat.
Een grens hoeft geen noodstop te zijn.
Op 3 september mag ik samen met Stichting Olijf bij het MST in Enschede stilstaan bij een onderwerp dat hier eigenlijk precies over gaat: Hoe herstel je na je behandelingen en vind je balans? Wat betekent dit voor je lichaam, je energie en intimiteit?
Juist daarom houdt dat onderwerp mij zo bezig.
Want hoe herstel je eigenlijk als je niet simpelweg kunt terugkeren naar wie je daarvoor was?
Misschien hoeft dat ook helemaal niet.
Herstel gaat voor mij steeds minder over terugkomen en steeds meer over opnieuw leren leven met wie je nu bent.
Met een lichaam dat veranderd is.
Met andere grenzen.
Met verlies.
Met dankbaarheid.
Met frustratie.
Met nieuwe plannen.
Met seks en intimiteit die soms ineens ingewikkelder zijn dan vroeger.
En met een hoofd dat alweer drie stappen verder wil, terwijl je lijf nog roept: Ho eens even vriendin!
Met andere vrouwen hierover in gesprek gaan vind ik daarom bijzonder.
Niet omdat ik inmiddels dé handleiding voor herstel heb gevonden.
Integendeel.
Waarschijnlijk heb ik zelf nog steeds een paar hoofdstukken overgeslagen.
Maar misschien hebben we juist daarom meer aan eerlijke verhalen dan aan perfecte antwoorden.
Daarom schrijf ik hierover. Niet om andere vrouwen te vertellen hoe het moet. Wel om ze te bemoedigen.
Niet met: Kijk mij eens alles onder controle hebben.
Want laten we eerlijk zijn: ik loop zelf ook nog geregeld met volle overtuiging een sloot in waar ik al drie keer eerder ben geweest.
Maar wel met: Hé. Als jij hier ook mee worstelt, je bent niet de enige.
Na ziekte opnieuw moeten ontdekken wie je bent, is ingewikkeld.
Een lichaam dat andere grenzen heeft gekregen dan je hoofd zou willen, ook verdriet om wat niet meer vanzelfsprekend is kan bestaan naast dankbaarheid dat je er nog bent.
En die ene week waarop je denkt: Kijk mij eens gaan! I’m fabulous!
kan prima gevolgd worden door een paar dagen waarop je denkt:
Waarom lig ik nou alweer compleet voor pampus, wat een kutzooi…
Dat betekent niet dat je herstel mislukt. Misschien ís dat wel herstel.
Proberen. Voelen. Bijstellen. Opnieuw beginnen.
En soms alsnog keihard in die zevende sloot stappen en denken:
O ja. Daar was ik al eens geweest. Niet alles hoeft bovendien opgelost of begrepen te worden. Er bestaat waarschijnlijk geen perfecte handleiding voor ieder lijf, iedere grens en iedere fase van herstel.
Soms helpt het al als iemand naast je zegt: Ik herken dit en ik vind dit ook moeilijk. Ik ben het ook nog aan het uitzoeken.
Misschien hoeven we het niet allemaal te snappen. Soms is samen aanklooien ook al heel wat.
Dat vind ik misschien nog wel het mooiste aan verhalen delen. Niet dat iemand daarna ineens alle antwoorden heeft. Maar dat je heel even minder alleen bent met de vragen.

Dus nee, deze zomer heeft mij niet veranderd in iemand die moeiteloos een hele dag op de bank ligt. Na twee Netflix-afleveringen begint het waarschijnlijk nog steeds te kriebelen en begin ik te pieren.
En tegen de tijd dat de aftiteling loopt, heb ik vermoedelijk alweer drie ideeën. Dat deel van mezelf wil ik ook helemaal niet kwijt.
Wel probeer ik iets anders te leren. Niet iedere keer wachten totdat mijn lichaam zelf de stekker eruit trekt.
Eerder luisteren. Eerder stoppen. Soms nee zeggen en ja ook tegen mezelf.
En accepteren dat rust voor mij misschien niet betekent dat ik helemaal niets doe. Rust kan ook zitten in iets doen zonder dat het iets hoeft op te leveren.
In wandelen. In schrijven. In muziek. In freubelen. In een middag zonder planning. Maar vooral in ruimte laten.
Balans is uiteindelijk misschien helemaal niet het perfecte midden vinden. Misschien gaat het veel meer over jezelf steeds opnieuw terugvinden.
Ook als die versie van jou veranderd is.
Misschien is balans niet het perfecte midden vinden. Misschien is het steeds opnieuw jezelf terugvinden.
En terwijl augustus langzaam plaatsmaakt voor september, komt er nog iets dichterbij waar ik al een hele tijd naartoe leef.
Iets waarin veel van de afgelopen jaren samenkomt.
Ziek zijn.
Opnieuw beginnen.
Schaamte.
Lichaam.
Kwetsbaarheid.
Humor.
Vrouw-zijn.
En alles waar we soms liever niet over praten.
Kortom… een behoorlijke hoeveelheid KUTZOOI.
Oktober komt dichterbij.
En ik kan niet wachten om daar binnenkort meer over te vertellen.
Herken jij dat je hoofd nog vol plannen zit, terwijl je lijf allang op de rem trapt? Deel jouw ervaring onder deze blog of stuur me een bericht via The Vag. Want hoe verschillend herstel er ook uitziet: door eerlijk te praten over grenzen, energie, verlies en alles wat daarna komt, voelen we ons misschien allemaal nét wat minder alleen in het aanklooien.